Ook transitievergoeding bij gedeeltelijk ontslag. Gevolgen voor de arbeidsongeschikte werknemer!


Indien door een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, door een beëindiging van de arbeidsovereenkomst gevolgd door het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst dan wel door een aanpassing van de arbeidsovereenkomst de arbeidstijd van de werknemer substantieel en structureel wordt verminderd, heeft de werknemer volgens een arrest van de Hoge Raad van 14 september 2018 recht op een gedeeltelijke transitievergoeding. Wat zijn de gevolgen daarvan in de relatie tussen een werkgever en een arbeidsongeschikte werknemer?

Bij een Stichting voor bijzonder voortgezet onderwijs was sinds 1980 een leraar werkzaam die in november 2013 ziek was uitgevallen. In november 2015 wordt aan hem een WGA-uitkering toegekend wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 15 oktober 2016 wordt de full-time aanstelling van de leraar door de school per 29 februari 2016 beëindigd en wordt de leraar met ingang van 1 maart 2016 opnieuw aangesteld, maar nu voor 55% van de arbeidstijd. Dat eerst de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd en vervolgens een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt aangeboden, is daarbij een voortvloeisel van de geldende CAO.
Vervolgens verzoekt de leraar de kantonrechter om de school te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 76.000 wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, althans van een bedrag van ruim € 33.000 wegens gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter wijst het verzoek toe voor wat betreft de gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In hoger beroep wijst het gerechtshof het verzoek echter alsnog af. Het hof oordeelt daarbij dat de school en de leraar bedoeld hebben om de duur van de arbeidsovereenkomst aan te passen aan de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de leraar en dat in feite geen sprake was van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
In cassatie moet de Hoge Raad over de kwestie oordelen. De Hoge Raad vernietigt daarbij het arrest van het gerechtshof en bekrachtigt alsnog de beschikking van de kantonrechter, zodat de school de transitievergoeding gedeeltelijk moet betalen.
Om tot die beslissing te komen oordeelt de Hoge Raad allereerst dat het niet zo is dat de volledige transitievergoeding is verschuldigd, omdat de bestaande arbeidsovereenkomst niet is beëindigd. Met het gerechtshof is de Hoge Raad namelijk van mening dat sprake is van een voortzetting van de bestaande arbeidsovereenkomst in aangepaste vorm. Anders dan het gerechtshof is de Hoge Raad echter van oordeel dat de voortzetting van de arbeidsovereenkomst in aangepaste vorm er op neerkomt dat de arbeidsovereenkomst gedeeltelijk is beëindigd en dat de transitievergoeding daarom verschuldigd is naar evenredigheid van het deel van de arbeidsovereenkomst dat beëindigd is.
De Hoge Raad erkent daarbij dat de wet niet de mogelijkheid kent van gedeeltelijke opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst en dat de transitievergoeding volgens de wet alleen verschuldigd is bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad aanvaardt de mogelijkheid van een gedeeltelijk ontslag met gedeeltelijke aanspraak op de transitievergoeding vervolgens echter toch in bijzondere gevallen waarin de omstandigheden er toe dwingen om de arbeidstijd van de werknemer substantieel en structureel te verminderen. Als voorbeelden van dergelijke bijzondere gevallen noemt de Hoge Raad het gedeeltelijk vervallen van de arbeidsplaats van de werknemer wegens bedrijfseconomische omstandigheden en blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer. In deze gevallen wordt immers op grond van de in de wet geregelde herplaatsingsverplichting respectievelijk re-integratieverplichting van de werkgever verlangd dat de werknemer niet geheel wordt ontslagen, maar dat de arbeidsverhouding voor een deel van het werk in stand blijft.
De transitievergoeding heeft ten doel om te compenseren voor de gevolgen van het ontslag en om de transitie naar een andere baan makkelijker te maken. Omdat de transitievergoeding wordt berekend over het laatstgenoten loon zou de werknemer bij een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd een deel van de transitievergoeding mislopen waarop hij bij het uiteindelijke einde van de arbeidsovereenkomst aanspraak zou hebben. Dat acht de Hoge Raad niet gerechtvaardigd. Daarom moet de transitievergoeding bij een substantiële en structurele vermindering van de arbeidsduur volgens de Hoge Raad gedeeltelijk worden betaald. Het maakt daarbij volgens de Hoge Raad niet uit of de vermindering van de arbeidsduur plaatsvindt in de vorm van hetzij een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, hetzij een volledige beëindiging van de arbeidsovereenkomst gevolgd door een nieuwe, aangepaste arbeidsovereenkomst, dan wel een aanpassing van de arbeidsovereenkomst. Om recht te hebben op gedeeltelijke betaling van de transitievergoeding moet de vermindering van de arbeidsduur wel substantieel zijn, waarbij de Hoge Raad stelt dat daarvan sprake is bij een vermindering van de arbeidstijd van tenminste 20%. Deze eis baseert de Hoge Raad op de hanteerbaarheid van de regeling. De vermindering van de arbeidsduur moet ook structureel zijn, in die zin dat deze naar verwachting blijvend zal zijn.
De transitievergoeding moet dan volgens de Hoge Raad berekend worden naar evenredigheid van vermindering van de arbeidstijd en uitgaande van het loon waarop tot dan toe aanspraak bestond.

Bron: https://www.vanzijl-advocaten.nl/juridische-producten/arbeidsrecht-actueel/ook-transitievergoeding-bij-gedeeltelijk-ontslag-gevolgen-voor-de-arbeidsongeschikte-werknemer.php