Werkgever kan aanbod voor arbeidsovereenkomst van werknemer die door coronacrisis niet kan werken, niet meer intrekken


Door de coronacrisis was de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst blijven hangen en toen er geen werk voor de werknemer meer was wilde de werkgever geen loon betalen. Maar de rechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst al tot stand gekomen was en dat dus het loon moest worden doorbetaald.

Bij een valkeniersbedrijf was in 2018 en 2019 een valkenier in dienst geweest, telkens op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van acht maanden. In 2019 had de valkenier voor het bedrijf meegewerkt aan een roofvogelshow voor een attractiepark in Duitsland. Met de werknemer en het attractiepark was afgesproken dat deze samenwerking in 2020 zou worden voortgezet. Voor het jaar 2020 werd daarbij afgesproken dat de werknemer een vergoeding zou ontvangen van € 21.000 netto per jaar en dat dit bedrag in twaalf gelijke maandelijkse termijnen zou worden uitbetaald, ondanks dat de werkzaamheden slechts gedurende acht maanden zouden worden verricht omdat het attractiepark alleen in deze maanden geopend is. Eind januari 2020 stuurt het valkeniersbedrijf een e-mail aan de valkenier met een arbeidsovereenkomst van deze strekking. In de maanden januari en februari betaalt het valkeniersbedrijf aan de valkenier een bedrag van twee maal € 1.750 netto en op 1 mei een bedrag van € 3.500 netto. Door de coronacrisis komt het niet zover dat de valkenier zijn werkzaamheden daadwerkelijk gaat verrichten. Er ontstaat een discussie tussen partijen over de vraag of de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. De valkenier stelt dat hij de arbeidsovereenkomst getekend heeft teruggezonden, maar het valkeniersbedrijf ontkent dat en stelt dat het aanbod tot het aangaan van de arbeidsovereenkomst is ingetrokken voordat de valkenier het aanvaard had.
Bij de kantonrechter vordert de valkenier in kort geding betaling van het salaris over de maand mei 2020 en 50% wettelijke verhoging wegens te late betaling van het salaris over de maand maart 2020. De kantonrechter moet beoordelen of een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Dat is afhankelijk van hetgeen partijen ten opzichte van elkaar hebben verklaard en van wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden.
Aangezien er geen bewijs is van de gestelde schriftelijke aanvaarding van het aanbod en evenmin van de intrekking van het aanbod, beoordeelt de kantonrechter of de aanvaarding van het aanbod op andere dan schriftelijke wijze heeft plaatsgevonden. Omdat partijen dat niet ontkend hebben, staat vast dat partijen hebben gesproken over het aangaan van een arbeidsovereenkomst waarbij de valkenier vanaf maart tot en met oktober zou werken en waarbij de betaling van het salaris over twaalf maanden zou worden gespreid. Verder staat vast dat ook een aanbod voor een schriftelijke arbeidsovereenkomst in die zin is gedaan. Op basis daarvan heeft het valkeniersbedrijf uitvoering gegeven aan de aangeboden arbeidsovereenkomst door in januari en februari betalingen te doen, en door op 1 mei nog eens betalingen over twee maanden te doen, terwijl toen al bekend was dat het attractiepark waarschijnlijk niet in maart open zou gaan. Daarbij is door het valkeniersbedrijf geen enkel voorbehoud gemaakt. Dat het aanbod telefonisch zou zijn ingetrokken, is volgens de kantonrechter niet aannemelijk, mede omdat dit daarna op geen enkele wijze schriftelijk is bevestigd. Dat de arbeidsovereenkomst niet is ondertekend, maakt niet dat geen arbeidsovereenkomst is aangegaan. De werknemer heeft daarom recht op loon. De wettelijke verhoging wegens de te late betaling van het loon over de maand maart wordt door de kantonrechter beperkt tot 10%, omdat de werknemer uiteindelijk ook geen werkzaamheden over de maand maart heeft verricht.

Bron: https://www.vanzijl-advocaten.nl/juridische-producten/arbeidsrecht-actueel/werkgever-kan-aanbod-voor-arbeidsovereenkomst-van-werknemer-die-door-coronacrisis-niet-kan-werken-niet-meer-intrekken.php