Opschorting betaling deel van salaris wegens coronacrisis?


Een werkgever die als gevolg van de coronacrisis te weinig geld had om alle salarissen te betalen, mocht de betaling van het salaris niet voor een deel opschorten, omdat de werkgever daarover niet eerst met de werknemer had overlegd en omdat de opschorting te ver ging.

Bij een restaurant dat Turkse broodjes verkocht in het centrum van Amsterdam, was gedurende 40 uur per week een student uit Iran werkzaam. Zijn arbeidsovereenkomst zou op 31 mei 2020 aflopen en dan zou hij teruggaan naar Iran. Januari en februari zijn voor de werkgever doorgaans rustige maanden, omdat er dan weinig toeristen zijn. Omdat de toeristenstroom doorgaans in maart weer op gang komt, had de werkgever in januari diverse nieuwe personeelsleden aangenomen, die op 1 maart 2020 zouden starten. Half maart 2020 wordt het restaurant gesloten op grond van de overheidsmaatregelen in verband met de coronacrisis. Sindsdien is er slechts beperkte omzet in de vorm van afhaal van broodjes. De werkgever heeft in maart 2020 een tegemoetkoming in de loonkosten aangevraagd op grond van de NOW. De werkgever heeft die tegemoetkoming weliswaar gekregen, maar omdat de hoogte daarvan wordt gebaseerd op het loon van januari, heeft de werkgever daaraan niet voldoende om de lonen van alle werknemers over de maand maart te betalen. Omdat de werkgever ook overigens niet voldoende geld heeft om alle salarissen te betalen, heeft de werkgever aan alle werknemers in de maanden maart en april 2020 de helft van het loon betaald. De werknemer vordert in kort geding bij de kantonrechter betaling van het restant van het loon. Hij wijst er op dat hij voor de voorziening in zijn levensonderhoud afhankelijk is van het loon en dat hij er belang bij heeft om het loon betaald te krijgen, voordat hij naar Iran terugkeert. Het overmaken van geld van Nederland maar Iran zou volgens de werknemer een probleem zijn.
De werkgever erkent bij de kantonrechter het bestaan van de vordering van de werknemer, maar voert aan dat het bedrijf door de coronacrisis en de gedwongen sluiting in acute betalingsproblemen is geraakt.
De kantonrechter acht het aannemelijk dat de werkgever in een onvoorziene bedrijfseconomische noodsituatie is geraakt. Volgens de kantonrechter heeft de werkgever daarmee een zwaarwichtig belang dat met zich meebrengt dat van de werknemers verlangd kan worden om (in overleg) bepaalde arbeidsrechtelijke aanspraken op te schorten, of zelfs helemaal prijs te geven. Desondanks wijst de kantonrechter de loonvordering van de werknemer toe, omdat het besluit tot betaling van 50% van het salaris eenzijdig en zonder nader overleg is genomen en omdat 50% van het salaris een te grote achteruitgang in inkomen voor de werknemer zou betekenen. Na belangenafweging is de kantonrechter van mening dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet verlangd kan worden dat de werknemer over meerdere maanden met opschorting van de betaling van 50% van zijn salaris instemt, mede omdat niet vaststaat wanneer de betalingsachterstand kan worden ingelopen. De door de werknemer ingestelde vordering tot betaling van de wettelijke verhoging wegens vertraging in de betaling wordt door de kantonrechter echter gematigd tot nihil en ook de betaling van wettelijke rente wordt afgewezen, vanwege de noodsituatie waarin de werkgever verkeert. De kantonrechter voegt aan de uitspraak de suggestie toe om een (in tijd zeer beperkte) betalingsregeling te treffen voor de betaling van de loonvordering.

Bron: https://www.vanzijl-advocaten.nl/juridische-producten/arbeidsrecht-actueel/opschorting-betaling-deel-van-salaris-wegens-coronacrisisd.php